De riviervisserij van de familie Groen uit Middelharnis

De visserij op het Haringvliet van de familie Groen begint bij Arend Groen, geboren 1871. Zijn vader Hendrik Groen (1826-1871) was schipper (beurtschipper, vrachtvervoer). Hij stamde wel af van een geslacht van zeevissers dat zich in de 18e eeuw in Middelharnis had gevestigd. Arend Groen is op 15 september 1893 getrouwd met Klaasje de Groot. Arend Groen was schippersknecht. In het bevolkingsregister 1890-1920 van Middelharnis is zijn beroep veranderd van schippersknecht in ”diepzeevisscher.” Hij was haringvisser en werkte elk jaar van begin juni tot eind november op de haringvloot van Maassluis of Vlaardingen. Tijdens de 1e wereldoorlog kon de haringvloot niet uitvaren en besloot Arend riviervisser te worden op het Haringvliet.

In dankbaarheid bijeen. Arend Groen en Klaasje de Groot met al hun kinderen en aangetrouwder kinderen tijdens hun 50-jarig huwelijksfeest te Middelharnis 

Arend en Klaasje kregen samen 6 zonen, waarvan er 3 later bij hun vader hebben gewerkt, namelijk Klaas, Cornelis en Arend jr.

  1. Hendrik Groen: geboren 9 februari 1894
  2. Bastiaan Maarten Groen: geboren 24 november 1894
  3. Piet Groen: geboren5 september 1897
  4. Klaas Groen: geboren: 18 december 1899, overleden 1990. Hij heeft eerst als zeevisser op verschillende sloepen gevist, later nog korte tijd op het Haringvliet.
  5. Cornelis Groen: geboren: 13 januari 1903. Hij werd als 11-jarige aangenomen als koffiekokertje. Hij heeft eerst nog vanuit Middelharnis gevaren en vanaf circa 1916 nog 6 jaar vanuit Maassluis. Daarna viste hij op het Haringvliet.
  6. Arend Groen jr., geboren 13 september 1909.

Als laatste van dit geslacht Groen kwam Henk Groen, zoon van Cornelis in 1947 aan boord van de MD2, het vaartuig van zijn vader en oom.

De vaartuigen

De visserij op het Haringvliet begon met de MD15, het was een door Arend Groen senior aangekochte tweedehands zeilboot uit Zwartewaal voor 3 bemanningsleden, ingeschreven in het centraal visserijregister op 28 maart 1917.

26 oktober 1921 werd de MD4, voorheen de PH2, een half gedekte platbodem, de “Twee Gebroeders” ingeschreven voor de botvisserij met 4 bemanningsleden.

25 september 1929 werd de MD2 (voorheen de KL2, bouwjaar 1912) ingeschreven in het Centraal Visserijregister op naam van Arend Groen Azn. en op 16 augustus 1930 op naam van Cornelis Groen Azn. De MD15 werd de bijboot van de MD2. De door de gemeente afgegeven vergunning:

De ondergetekende, Burgemeester van Middelharnis, verklaart dat het open zeil- of roeiboot, eigenaar Cornelis Groen, in het register der vissersvaartuigen ingeschreven met het onderscheidingsteken MD2 is een Nederlandsch vissersvaartuig. Middelharnis 16 augustus 1930 Burgemeester J. Vroegindeweij Loco.

Op 23 maart 1936 werd de MD3 van Klaas Groen ingeschreven, Een open zeil-of roeiboot die tevoren niet voor de visserij was gebruikt, maar vanaf die datum voor de Bot- en Palingvisserij op het Haringvliet. Dit vaartuig werd 26 januari 1940 weer doorgehaald.

Op 30 juli 1965 werd de MD1, een stalen zeilschouw, gebouwd in 1948 ingeschreven en op 11 oktober 1972 doorgehaald. In dat jaar werd de houten blazer van Marinus Keijzer uit Stellendam overgenomen. Deze heeft de aanduiding “SL56” behouden. In het verhaal van Henk Groen over de watersnoodramp van 1953 spreekt hij echter over de houten blazer MD3, die toen in de buitenhaven zwaar is beschadigd en niet meer bruikbaar was.

Tenslotte kwam er als laatste weer een MD3, met als naam de “Jo-An”. Deze voormalige torpedistenschokker en voormalige KL6 werd ook voor de kuilvisserij ingezet. Als “opstappers” maakten Tinus Groenendijk, Ard Groen (4e generatie) ook regelmatig deel uit van de bemanning. Tot er in 1968 door de Deltawerken een einde kwam aan deze visserij.

De Visserij

Cornelis Groen was in de 1e wereldoorlog of mogelijk al eerder, als de haringvisserij stillag, begonnen met de visserij op het Haringvliet. Hij had als zeevisser al voldoende ervaring opgedaan en het zal voor hem weinig moeite hebben gekost om van zeevisser tot riviervisser “omgeschoold” te worden. Aan zijn jongste broer Arend vroeg hij of ze samen met het open bootje, de MD2 dus, zouden gaan vissen. Ook Arend had als zeevisser op de sloepen de nodige ervaring opgedaan en voelde er veel voor het water weer op te gaan. Hoogstwaarschijnlijk zijn zij in de maand augustus begonnen met het gebruik van de botbeug. Bot is een platvis die voornamelijk leeft in brak water dat toen nog twee keer per etmaal vrijelijk vanuit de Noordzee het Haringvliet kon binnenstromen. En met die stromingen moesten de gebroeders Groen terdege rekening houden evenals dit het geval was met de tegenovergestelde ebstroom. Daarin schuilde grotendeels het geheim van de visser. Maar ook met andere factoren die voor het vissen met succes van belang zijn zoals de richting en de kracht van de wind alsook de bodemgesteldheid moesten Cor en Arend rekening houden. Zij waren beroepsvissers in hart en nieren. Hun vakkennis leidde in de loop der jaren tot gezaghebbende hoogte. De vangst van bot vond plaats in de maanden maart-april tot oktober-november. Het vissen met de botbeug gebeurde tussen het Middelharnisse Hoofd en Scheelhoek. Voordat zij de beug konden schieten of in het water laten glijden, moesten zij eerst roeien naar de plaats die daarvoor was uitgekozen. Roeien met de riemen die zij hadden, te weten roeiriemen met een lengte van 14 voet! Soms gebruikten zij een beug tot wel 10.000 meter lengte verdeeld over 50 lijnen. De beuglijnen waren met een tussenruimte van 1.30 meter voorzien van sneuen waaraan het aas bevestigd werd. Maar dat aas in de vorm van zeebliek moest wel eerst worden gevangen. Als het tijd was om de beug in te halen kon de buit binnen boord worden gehaald. Aan de haakjes zat niet alleen bot maar ook wel schar, wijting en spiering. Wat boven water gehaald werd was altijd een verassing.

de MD3 op het Haringvliet nadert de westdam van het Havenhoofd te Middelharnis

Spiering

De vangst van spiering vond plaats van november tot maart. Spiering komt voor in de wateren langs de kust en kan wel 20 centimeter in lengte worden. Het is een fraai, zilverwit gekleurd visje met groene en

blauwe tinten. Dit waterdiertje is zelfs doorschijnend. Maar hoe mooi het visje ook moge zijn; vele mensen zijn dol op gebakken spiering. Het spierinkje laat zich ook spreekwoordelijk gebruiken als er een kabeljauw moet worden gevangen.

Cor en Arend Groen hebben met hun open boot heel wat spiering gevangen. Zij deden dit met drijfnetten die honderd meter lang waren, maar door meerdere netten aan elkaar te knopen verkregen deze vissers een veel grotere lengte tot wel 1500 meter. Het net werd drijvende gehouden door kurken en om een staand wand van anderhalve meter diepte te verkrijgen hing men aan de onderzijde stukjes lood. Spiering konden zij het beste vangen tussen Stad aan ’t Haringvliet en Den Bommel. Wanneer het want moest worden ingehaald zaten de spieringen met hun kopjes in de uiterst dunne mazen en moesten er voorzichtig worden uitgehaald om zo min mogelijk schade aan het net te veroorzaken.

De vishandel en -verkoop

De gevangen vis werd in hoofdzaak aan Piet Tamboer verkocht. Tamboer had een vishandel op de Waterweg in Middelharnis. De zaak werd uiterst schoongehouden en de vis had er vanzelfsprekend een eerste kwaliteit ook al omdat ze zo vers door Groen was aangeleverd. Tamboer had honderden klanten. Doch een aanzienlijk deel van de vangst werd door Cor Groen zelf aan de man gebracht. Met de bakfiets trok hij door de straten van Middelharnis en Sommelsdijk en bediende zijn klanten. Men kon in die tijd geen straat vinden waar geen heerlijke baklucht van vis te ruiken viel. Ging Cor de vis uitventen, Arend was dan wel te vinden op de MD2.

Zij hadden als riviervissers toch wel een heel ander leven gekregen dan als zeevisser. Voer men op zee, dan bleef men noodzakelijkerwijs enige weken van huis. Maar toen zij op het Haringvliet hun boterham konden verdienen, waren ze avonds thuis en ook op zondag. Het gezinsleven was daardoor stukken beter. Vooral het dagelijks contact met de vrouw en kinderen was van grote betekenis. Cor en zijn vrouw Arendje kregen vijf kinderen. Arend, Willie, Hendrik, Jacobus en Klaasje. Arend met zijn vrouw Jo kregen twee kinderen: Corrie en Arend. De gebroeders Cor en Arend Groen visten tot 1947 met uitzondering van het laatste oorlogsjaar. Arend werd met de grote razzia van 20 en 21 december 1944 naar Duitsland weggevoerd maar keerde gelukkig gezond en wel terug in Middelharnis. Hij had de grote afstand lopend afgelegd!

In juni 1945 gingen zij weer samen met het open bootje, de MD2, het Haringvliet op. Het vissen zat immers in hun bloed. Vaktechnisch zal er geen verandering hebben plaatsgehad, want al het vismateriaal dat zij hadden kon niet of nauwelijks worden vernieuwd of aangevuld vanwege schaarste. Thans kan niemand het zich voorstellen dat eind 1944, begin 1945 de winkels geheel leeg waren, behalve degene die toen heeft geleefd en het nog kan vertellen. Het zal wel weer begonnen zijn met het vangen van paling en bot met wat bijvangst. Dag in dag uit. Heerlijk op het toen nog onbedorven Haringvliet met zijn wijde ongeschonden groene gorzen langs de flanken. Waar de wind vrij spel had en het water om de twaalf uren op natuurlijke wijze werd ververst. Waar men s ’zomers het vee zag grazen en in de winter de ganzen. Waar men ‘s winters ook de riethakkers aan het werk kon zien.

’s Winters voeren de gebroeders Groen net zo goed uit op het vrijwel altijd in beweging zijnde water van het Haringvliet. Als het vroor konden zij een graadje of vijf, zes Celsius wel hebben, tenminste als zij de avond tevoren met industriezout de netten hadden bestrooid om aanéénvriezing te voorkomen. Ging het nog harder vriezen dan kon er niet meer worden gevist en kwamen steeds meer ijsschotsen de grote rivieren afzakken naar de zeemondingen waar het Haringvliet er één van was.

De laatste visser: Henk Groen

Zonder dat Henk het in 1947 als 14-jarige jongen zal hebben beseft, stapte hij als laatste visser van de familie Groen aan boord van de MD2, het vaartuig van zijn vader Cor en oom Arend. Dat jaar ontwikkelde zich na een zeer strenge winter een ongekend mooie zomer. Er heerste toen, wat hier maar weinig voorkomt, een landklimaat met een in hoofdzaak aflandige wind. De MD2 was niet gemotoriseerd en werd nog steeds door mankracht voortbewogen.

In 1948 met de blazer en de zalmschouw kon het vissen worden geïntensiveerd. Van mei tot september werd met kubben gevist op paling. Een kub is een korte, van garen gebreide fuik zonder vleugels. Met een tussenruimte van 18 meter werden 60 kubben aan een lijn in het water gebracht. Elke kub werd met een zware steen onder water gehouden. Maar voor zij de kubben konden gebruiken moesten deze een week lang in het water weken of ingewaterd worden.

Bij het zetten van de kubben gooide de visser een handje zeebliek of spiering als aas in het langgerekte ronde net om de paling te lokken. De vangst varieerde van 5 tot 500 pond per dag. De vissers kenden de watergetijden op hun duimpje en verder kenden zij het tijdstip van zonsopkomst en -ondergang alsmede die van de maan, soms geholpen door de Enkhuizer Almanak. Naast al dat vissen en het verkopen van de vis moesten ook de kubben worden geboet of hersteld want zoutwaterkrabben en wolhandkrab waren in de ogen van vissers geduchte watervandalen.

Met de houten blazer, die de onderscheiding SL46 heeft behouden werd gevist op zeebliek en wat men voorts aan kleine vis in de netten aantrof. De wriemelende massa die bij het ophalen van de netten tevoorschijn kwam werd ‘puf’ genoemd. Eenmaal aan dek moest de spartelende vis zo snel mogelijk met een zeil worden afgedekt want duizenden meeuwen en de honderden visdiefjes doken als hongerige rovers op de gedekte tafel. Die vogels hadden de verrichtingen van de vissers al geruime tijd in de gaten gehouden.

Puf werd gevangen om gedroogd te worden en werd daarna als vismeel in de handel gebracht. Stellendam bezat destijds twee visdrogerijen: een van Math. Jansen aan de Eendrachtsweg en de andere van Adr. De Jager aan de Korteweg. De gevangen hoeveelheid zeebliek werd afgehaald door Math. Van Ours met zijn boot die de naam “Zeebliek” droeg.

Tijdens de watersnoodsramp werd de MD2 zwaar beschadigd en kon er niet meer worden gevist. Uiteindelijk kon in 1956 de KL6 worden aangeschaft en kon ook worden overgegaan op de kuilvisserij waarvoor deze voormalige torpedistenschokker van een bun was voorzien. Het laatste deel van de visserij die door Arend en zijn zoon werd voortgezet is elders op de website al uitvoerig beschreven.

Dit artikel is gebaseerd op gegevens van Marlies Jongejan en een artikel van David Hoogzand dat eerder in het Eilanden Nieuws heeft gestaan.